
Mag een werkgever verlangen dat werknemers minimaal twee dagen per week op kantoor werken? De recente uitspraak over Booking.com heeft veel reacties opgeroepen. Voor velen is het antwoord duidelijk: twee dagen kantoorpresentie is toch alleszins redelijk? Maar juridisch ligt de vraag genuanceerder. Wanneer de ondernemingsraad (OR) niet instemt met een voorgenomen besluit, moet de rechter beoordelen of de belangen van de werkgever zwaarder wegen dan die van de OR. En juist op dat punt roept de uitspraak vragen op. Want hoe overtuigend is de belangenafweging van de kantonrechter eigenlijk?
Dit artikel is een bewerkte versie van een LinkedIn bericht van Jan-Pieter Vos.
Veel reacties op de Booking.com-uitspraak: "het is toch volstrekt redelijk dat een werkgever twee dagen kantoorpresentie verlangt?" Dat is wat mij betreft zeker zo, maar daarmee ben je er juridisch nog niet.
Voor vervangende toestemming moet de werkgever aantonen dat zijn argumenten zwaarder wegen dan die van de OR om niet in te stemmen. Wegen ze even zwaar, dan volgt alleen toestemming als zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen het besluit vergen. Uit de beschikking moet bovendien blijken dat de argumenten van de OR daadwerkelijk in de afweging zijn betrokken. Daaruit moet dan blijken dat de argumenten van Booking.com ‘redelijker’ zijn, maar vooral: waarom.
Als ik de uitspraak lees, zie ik vooral dat de kantonrechter vaststelt dat Booking een ‘redelijker’ belang heeft. Want de argumenten van de OR lijken me op zichzelf niet onredelijk. Volgens de beschikking gaat het om onder meer:
Waarom het belang van Booking zwaarder weegt, komt voor mij onvoldoende naar voren. De beschikking zelf blijft in algemene termen. Dat fysiek samenzijn bijdraagt aan samenwerking en vertrouwen, noemt de rechter ‘misschien geen harde wetenschappelijke conclusie maar wel een breed gedeelde aanname’ (rov. 17). Dat werknemers ‘bepaald niet overvraagd’ worden (rov. 18), is uiteindelijk toch vooral een mening en geen weging. Tegenover die aannames staan concrete gegevens van de OR. Hoe die tegen elkaar worden afgewogen, wordt mij niet duidelijk.
In plaats daarvan is de conclusie dat de belangen van Booking.com zwaarder wegen, eigenlijk vooral omdat de kantonrechter dat nu eenmaal vindt. Dat voelt wat onbevredigend. Gelet op alle aandacht voor deze zaak had ik op dit punt eigenlijk op een betere onderbouwing gehoopt. En ja, ik begrijp dat dat moeilijk is, maar zo te zien is daar in de procedure aan beide kanten genoeg over gesteld. Daar had de rechter best een poging kunnen doen.
Hoezeer ik zelf het gevoel van Booking.com ook onderschrijf: ik vraag me af of de praktijk wel zo geholpen is met deze uitspraak als her en der wordt gesteld.
Ik ben benieuwd of er hoger beroep komt, en hoe het hof de afweging zal maken.
Vragen over het instemmingsrecht van de ondernemingsraad of de juridische aspecten van thuiswerken en kantooraanwezigheid? Neem gerust contact op met Jan-Pieter Vos.