
De Eerste Kamer heeft deze week ingestemd met het wetsvoorstel dat een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst introduceert bij een laag uurtarief. Wat houdt dit rechtsvermoeden in? En wat betekent dit voor opdrachtgevers?
Het rechtsvermoeden houdt in dat wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als een werker minder dan € 38 per uur verdient (peildatum 1 januari 2026). Dit uurtarief wordt twee keer per jaar (gelijktijdig met het minimumloon) herzien. Het doel van deze maatregel is laagbetaalde zzp’ers (vaak kwetsbare werkenden) beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.
Dit rechtsvermoeden maakt het makkelijker voor werkers om hun rechtspositie op te eisen. Doet de werker een beroep op dit rechtsvermoeden, dan moet de werkgevende aantonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst aan de hand van (onder meer) de gezichtspunten die de Hoge Raad heeft opgenomen in het Deliveroo-arrest. Lukt dat niet, dan kan de werker aanspraak maken op rechten die horen bij een arbeidsovereenkomst, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Het rechtsvermoeden geldt niet alleen voor nieuwe arbeidsrelaties, maar ook voor bestaande arbeidsrelaties die op het moment van inwerkingtreding van de wet nog doorlopen. Daarnaast geldt dit rechtsvermoeden alleen in de relatie tussen de werkende en de werkgevende. De Belastingdienst kan dus géén beroep doen op dit rechtsvermoeden.
Voor opdrachtgevers verandert vooral de bewijspositie. Bij een tarief onder de wettelijke grens krijgt de werker een eenvoudiger instrument om een arbeidsovereenkomst te claimen. Daardoor wordt het belangrijker om vooraf goed te beoordelen of de samenwerking met een zzp’er juridisch houdbaar is.
Kijk daarbij niet alleen naar wat partijen zijn overeengekomen, maar vooral naar hoe in de praktijk wordt gewerkt. Breng daarbij tijdig in kaart welke zzp’ers binnen de organisatie werken tegen een tarief rond of onder de wettelijke grens. Als de samenwerking in de praktijk onvoldoende past bij zelfstandigheid, is het nodig om de samenwerking anders in te richten of ervoor te kiezen de werker in dienst te nemen. Wij denken graag mee met wat een werkbare oplossing is voor zowel de opdrachtgever als de werker.
Naar verwachting treedt de wet uiterlijk 31 december 2026 in werking. De aanpak van schijnzelfstandigheid is een onderdeel van het Herstel- en Veerkrachtplan van Nederland. Wanneer de doelstellingen uit dit plan worden behaald, ontvangt Nederland gelden van de Europese Commissie. Het gaat hierbij om een behoorlijk bedrag (oplopend tot 600 miljoen). De wet moet uiterlijk 31 augustus 2026 in het staatsblad zijn gepubliceerd en uiterlijk 31 december 2026 in werking treden om de mijlpaal ten aanzien van schijnzelfstandigheid uit het Herstel- en Veerkrachtplan te behalen.
Het kabinet heeft gekozen voor de Zelfstandigenwet. Het verduidelijkingsdeel van het Wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden is daarmee komen te vervallen. De Zelfstandigenwet moet nog langs de Raad van State, de Tweede Kamer en de Eerste kamer. Dat betekent dat deze wet voorlopig nog niet in werking zal treden.
Heb je vragen over de inzet van zzp’ers? Neem dan contact op met Sietske Bos of Liban Hadi, beiden advocaat Arbeidsrecht en gespecialiseerd in flexibele arbeid.
Wilt u elke maand een overzicht van updates en blogs in uw mailbox? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief!