
Ook in 2025 hebben rechters zich regelmatig uitgesproken over vraagstukken rond medezeggenschap. In deze blog bespreken wij de meest in het oog springende uitspraken aan de hand van vijf (terugkerende) actuele thema’s.
In de praktijk valt ons op dat steeds meer ondernemingen kritisch kijken naar de medezeggenschapstructuur en de vraag stellen of die structuur nog wel aansluit bij de zeggenschap van de onderneming of binnen het concern. Het is de bedoeling de medezeggenschap zo in te richten dat dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR. Een belangrijk uitgangspunt is dat de medezeggenschap de zeggenschap volgt. Er lijkt een voorzichtige tendens te ontstaan tot het instellen van een gemeenschappelijk ondernemingsraad (GEMOR), een ontwikkeling die samenhangt met de toenemende centralisatie van zeggenschap.
Of dit in het belang is van een goede toepassing van de WOR is een vraag die het Hof Amsterdam afgelopen jaar mocht beantwoorden in de kwestie bij Albert Heijn e-Commerce. Bij Albert Heijn werd de medezeggenschap geïntegreerd in een GEMOR zodat werd aangesloten bij de gewijzigde zeggenschapsstructuur van Albert Heijn. Het Hof Amsterdam oordeelde in hoger beroep dat Albert Heijn in redelijkheid tot dit besluit kon komen. De rechters benadrukten dat de betrokken ondernemingen één financieel, strategisch en sociaal beleid voeren en dat een GEMOR, waarbij een onderdeelcommissie de specifieke belangen van e-Commerce borgt, bijdraagt aan betere communicatie, efficiënter overleg en kwalitatief betere medezeggenschap.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:1370)
Ook in 2025 wordt in verschillende uitspraken bevestigd dat een zorgvuldig verloop van een medezeggenschapstraject primair de verantwoordelijkheid van de ondernemer is. Aan de hand van drie uitspraken lichten wij dit kort toe.
Een redelijke adviestermijn is vereist
De OR van eScience moest adviseren over een reorganisatie met grote personele gevolgen, waarbij een adviestermijn van zes weken was gesteld. Door liquiditeitsproblemen drong de bestuurder aan op spoedige advisering, maar het lukte de OR niet om tijdig te reageren vanwege discussies over de reikwijdte van de adviesaanvraag, opgelegde geheimhouding en ontbrekende financiële informatie en een sociaal plan. Omdat duidelijke afspraken over het het adviestraject ontbraken heeft de bestuurder zijn definitieve besluit genomen en aan de medewerkers gecommuniceerd zonder het door de OR aangekondigde conceptadvies af te wachten.
De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (hierna: de OK) oordeelde dat de ondernemer primair verantwoordelijk is voor een zorgvuldig medezeggenschapstraject en dat de OR bepaalt welke informatie nodig is. Bij een redelijke adviestermijn moeten alle omstandigheden worden meegewogen. In dit geval had de ondernemer duidelijke afspraken moeten maken over het verdere verloop toen bleek dat de OR niet tijdig kon adviseren. Het beroep van de OR werd gegrond verklaard.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:1794)
Zorgvuldige motivering besluit is noodzakelijk
De OR van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) moest adviseren over een voorgenomen besluit om het gebruik van apen als proefdier voor niet-essentieel wetenschappelijk onderzoek geleidelijk uit te faseren, met volledige stopzetting per oktober 2023. De OR adviseerde negatief, maar het bestuur nam het besluit zonder dit goed te motiveren. De OK benadrukte dat hij marginaal toetst of de ondernemer in redelijkheid tot zijn besluit kon komen. Dit ontslaat de ondernemer niet van zijn verplichting om bij afwijking van het advies van de OR expliciet in te gaan op de door de OR aangedragen argumenten en inzichtelijk te maken hoe hij de verschillende belangen heeft afgewogen. Omdat het KNAW dit had nagelaten moest het besluit worden ingetrokken.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2024:3423)
Voldoende informatieverstrekking en een zorgvuldige belangenafweging nodig
In het kader van een concernbreed ‘Business Optimalization Plan’ moest Micro Focus, onderdeel van het OpenText-concern, 12 functies schrappen. De OK wees er in deze uitspraak, in lijn met eerdere rechtspraak, op dat een ondernemer, ook bij besluiten die voortvloeien uit een internationaal concernstrategie, een zelfstandige belangenafweging moet maken en deze inzichtelijk moet maken voor de OR. Nu dit was verzuimd en de OR ook anderszins onvoldoende informatie ontving over de impact van het besluit op de Nederlandse entiteit achtte de OK het besluit kennelijk onredelijk en gelastte intrekking en ongedaanmaking van de gevolgen.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:1299)
Werkgevers sturen steeds vaker aan op meer aanwezigheid op kantoor, maar recente rechtspraak maakt duidelijk dat dit niet zomaar kan: wijzigingen in thuiswerk- of hybride regelingen raken arbeidsomstandigheden en vereisen veelal instemming van de OR. Dit volgt onder andere uit twee uitspraken waarin de wijziging van thuiswerk- dan wel hybride werkregeling zonder instemming van de OR centraal stond. In beide zaken oordeelde de rechter dat een besluit dat thuiswerken beperkt of afschaft instemmingsplichtig in de zin van art. 27 lid 1 sub d WOR is, omdat het wezenlijk de arbeidsomstandigheden van werknemers wijzigt. Beide rechters kozen voor een andere benadering.
In de Asus-zaak koos de kantonrechter voor een feitelijke benadering door te kijken naar de concrete verschillen tussen het werken op kantoor en thuiswerken, zoals reistijd, flexibiliteit, inrichting van de werkplek, werk-privébalans. Op basis daarvan concludeert de kantonrechter dat een regeling die ziet op (hybride) thuiswerken óók een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden is.
De rechter in de Caterpillarkwestie keek met name naar het doel en de strekking van de regeling. De rechter oordeelde dat het doel en de strekking van het besluit zagen op het afschaffen van het thuiswerkbeleid, waardoor werknemers elke werkdag op kantoor moeten werken. Hierdoor wijzigden de arbeidsomstandigheden en raakte dit aan het welzijn van werknemers (werkdruk, reistijd, werk-privébalans, psychosociale belasting). Instemming van de OR is daarom vereist.
Lees hier de Asus-uitspraak: (ECLI:NL:RBAMS:2025:3782)
Lees hier de Caterpillar-uitspraak: (ECLI:NL:RBOBR:2025:5758)
Ook in 2025 werd er geprocedeerd over het wijzigen van een beloningssysteem in de zin van artikel 27 lid 1 sub c WOR en de rol van de OR daarbij. De vraag die daarbij centraal staat is of sprake is van een beloningssysteem in de zin van de WOR, dan wel of dit systeem wijzigt door het besluit. Dit leidt meestal tot zeer feitelijke uitspraken, wij vatten er een aantal samen.
Besluit tot wijziging van de bestaande aandelenregeling door de Amerikaanse holdingmaatschappij is geen wijziging van de onderlinge rangorde van de beloningen in de onderneming.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in hoger beroep dat het wijzigen van de bestaande aandelenregeling door de Amerikaanse holdingmaatschappij van PPD Netherlands B.V. niet zag op het wijzigen van een beloningssysteem en dat er dus geen sprake was van een instemmingsrecht voor de OR. Dit omdat zowel de oude als de nieuwe regeling hetzelfde doel hadden, namelijk een lange termijn beloning voor werknemers vanaf schaal 8 en hoger. De nieuwe regeling had ook niet als doel een wijziging aan te brengen in de rangorde van functies in verhouding tot de beloning. Beide regelingen zagen op dezelfde groep werknemers maar binnen die groep worden alleen de beste presterende medewerkers beloond. Dat het budget voor de toekenning van de beloningen werd gewijzigd als gevolg van het besluit (niet langer een vast percentage van het salaris van de individuele werknemer maar een door Thermo Fisher beschikbaar gesteld budget) leidde evenmin tot een wijziging in de onderlinge rangorde van de beloningen. Daarbij geldt bovendien dat de hoogte van de beloning zelf niet onder een beloningssysteem valt.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHDHA:2025:1894)
Wijziging regeling Performance Shares door Franse moeder is wijziging van een arbeidsvoorwaardenregeling en daarmee instemmingsplichtig
Op grond van de lokale regelingen ‘Saving Plan’ en ‘Valoptec’ kunnen binnen de Essilor Group The Netherlands B.V. werknemers van bepaalde salarisschalen ervoor kiezen om een deel van hun salaris te besteden voor de aankoop van aandelen in EssilorLuxottica. Daarnaast geldt de binnen de Franse moedervennootschap gebruikte regeling ‘Performance Shares’, die er in de praktijk toe leidt dat werknemers van Essilor die op grond van de regeling Valoptec aandelen hebben gekocht jaarlijks Performance Shares toegekend kregen door EssilorLuxottica. De kantonrechter Arnhem moest oordelen over de vraag of het besluit van de in Frankrijk gevestigde moedermaatschappij van Essilor tot het beëindigen van haar aandelenregeling (matching van Performance Shares) instemmingsplichtig is en of dit besluit nietig is nu de OR daarvan de nietigheid heeft ingeroepen.
De kantonrechter oordeelde dat de regeling, die ziet op de Performance Shares, kwalificeert als een arbeidsvoorwaardenregeling, omdat uit de toelichting op de Valoptec-regeling blijkt dat werknemers die op grond van deze regeling aandelen kopen, recht hebben om Performance Shares. Dat de toekenning formeel door de moedermaatschappij gebeurt en dat werknemers de voorwaarden moeten accepteren, doet daar volgens de rechter niet aan af. Nu sprake is van een arbeidsvoorwaardenregeling valt het afschaffen van de Performance Shares onder het instemmingsrecht van artikel 27 WOR. Dat het besluit tot het afschaffen van de Performance Shares is genomen door de moedermaatschappij van Essilor maakt dat niet anders. Het besluit kon aan Essilor worden toegerekend. Een ander oordeel zou volgens de kantonrechter feitelijk leiden tot ondermijning van het Nederlandse medezeggenschapsrecht.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:RBGEL:2025:6639)
Het besluit om bovenop de cao-loonsverhoging geen individuele loonsverhoging op basis van individuele prestaties toe te kennen is geen wijziging van een beloningssysteem
Op basis van de algemeen verbindend verklaarde Cao Elektronische Detalihandel gold voor Apple Retail Netherlands B.V. voor het jaar 2023 een collectieve loonsverhoging van 5%. Daarnaast bestond de ‘Total Compensation Planning’ (TCP), waarbij de managers aan de hand van de TCP het door Apple Inc. jaarlijks per land ter beschikking gestelde budget toekenden aan individuele werknemers. In september van dat jaar besloot Apple Retail Netherlands B.V. om de werknemers alleen de loonsverhoging conform de CAO en geen individuele loonsverhoging op basis van individuele prestaties toe te kennen. De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat de TCP weliswaar een beloningssysteem in de zin van de WOR was, maar dat de wijze van verdeling van het beschikbare budget geen wijziging van datzelfde beloningssysteem betrof. Het Hof Amsterdam oordeelde in hoger beroep echter dat er geen sprake was van een beloningssysteem in de zin van de WOR nu de aanspraak op loonsverhoging een primaire arbeidsvoorwaarde, de hoogte van de beloning betrof. Dat geen aanspraak kon worden gemaakt op individuele beloning als het budget op was, gold voor alle werknemers en bracht dus geen wijziging aan in de onderlinge rangorde van beloning van verschillende groepen werknemers. Daarom was dus sprake van ‘de hoogte van de beloning’ en niet van ‘de indeling in beloningsgroepen’.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:2924)
Regeling omtrent de betaling van de wachtdienstvergoeding op realisatiebasis is instemmingsplichtig
Stichting Waternet heeft zijn OR eind 2025 gevraagd te adviseren over een voorgenomen besluit dat ziet op een wijziging van de wachtdienstregeling. Een van de wijzigingen zag op betaling van de wachtdiensten op realisatiebasis en dus op het moment nadat de wachtdienst was gelopen. Daarnaast kwam de indeling in lichte en zware wachtdiensten te vervallen. De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een instemmingsplichtige wijziging van het beloningssysteem in de zin van artikel 27 lid 1 sub c WOR nu uit de door Waternet beoogde wijziging met name bleek dat de werknemers niet langer gegarandeerd doorbetaald kregen bij ziekte of verlof.
De kantonrechter verleende ook geen vervangende toestemming nu de weigering van de OR om in te stemmen niet onredelijk was en Waternet niet heeft aangetoond dat er sprake was van zwaarwegende bedrijfseconomische, ‑organisatorische of ‑sociale redenen. Zo werd er al twintig jaar gewerkt met een vaste wachtdienstvergoeding voor een structureel en voorspelbaar rooster. Dat een vaste vergoeding niet (meer) zou mogen, heeft Waternet onvoldoende onderbouwd; de cao stond dit niet in de weg. Betaling op realisatiebasis was bovendien nadelig voor werknemers (met name bij ziekte en verlof) en het nieuwe systeem was storingsgevoelig en slecht controleerbaar.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:RBAMS:2025:6500)
Het recht van enquête is geregeld in art. 2:349 e.v. BW. en houdt, kort samengevat, in dat aandeelhouders en vakorganisaties de bevoegdheid hebben om een procedure bij de Ondernemingskamer te starten om een onderzoek te laten verrichten naar het beleid en de gang van zaken binnen de onderneming, als er reden is om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Een OR heeft geen zelfstandig enquêterecht. Wel kan dit bovenwettelijk aan de OR worden toegekend of kan de OR zich als belanghebbende voegen in een procedure. In 2025 is dit een aantal keer gebeurd.
OR Nexperia B.V. als belanghebbende
In de spraakmakende zaak ten aanzien van chipmaker Nexperia heeft de OR van Nexperia B.V. zijn steun uitgesproken in de enquêteprocedure die was gestart door andere partijen. Daarbij heeft de OR onder meer gewezen op schending van het adviesrecht ten aanzien van het aangekondigde ontslag van de bestuurder. Op 7 oktober 2025 heeft de OK in een verkort vonnis geoordeeld dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexpedia te twijfelen het verzoek van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. tot het gelasten van het treffen van bepaalde onmiddellijke voorzieningen toegewezen. In de beschikking van 13 oktober 2025 is de OK (alsnog) uitgebreid op deze kwestie ingegaan. Interessant in het kader van de medezeggenschap is dat de OK er hier op heeft gewezen dat in alle stadia van de enquêteprocedure een belangenafweging plaatsvindt, waarbij een integrale afweging plaatsvindt van de uiteenlopende belangen van de rechtspersoon en de verschillende belanghebbenden en dat ook acht wordt geslagen op hetgeen de OR naar voren heeft gebracht. Toch een belangrijke rol voor de OR in deze.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:2752)
COR Strukton Groep N.V. als belanghebbende
De OK heeft bij beschikking van 1 juni 2023 een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Oranjewoud en Strukton. Verzoeksters hebben vervolgens bij verzoekschrift van 20 februari 2025 de OK verzocht i) vast te stellen dat zich in de onderzoeksperiode wanbeleid heeft voorgedaan, ii) vast te stellen dat [DGA] als bestuurder verantwoordelijk is voor dit wanbeleid en iii) te verzoeken een aantal voorzieningen te treffen. De COR van Strukton Groep N.V. heeft zich in deze kwestie als belanghebbende gevoegd en heeft zo niet alleen kunnen aangeven de verzoeken van de verzoekende partijen te ondersteunen en de daarvoor aangevoerde gronden te onderschrijven maar heeft ook kunnen toevoegen dat er op het medezeggenschapsrecht gebaseerde gronden voor wanbeleid zijn nu bij herhaling bestuurders ontslagen zijn zonder tijdig het advies van de COR in te winnen.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:3301)
OR FNV als belanghebbende
De OK heeft in juni 2025 een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de FNV en bij wijze van voorlopige voorziening OK-functionarissen benoemd tot leden van de raad van toezicht van FNV met gezamenlijk een beslissende stem. Op 1 oktober 2025 hebben de OK-functionarissen een voorstel voor een gewijzigde governance van FNV bekendgemaakt. De OR heeft laten weten dat hij de voorstellen ondersteunt en heeft daarbij verzocht om in de statuten op te nemen dat hem een voordrachtsrecht toekomt voor één van de leden van de raad van toezicht. De OK-functionarissen hebben de OK op 10 november 2025 verzocht hun de bevoegdheid te verlenen om de statuten van de FNV aan te mogen passen. De OR heeft zich in deze procedure als belanghebbende gevoegd en het verzoek van de OK-functionarissen ondersteund. De OK oordeelde dat de door de OK-functionarissen voorgestelde wijziging van de statuten van FNV overeenkomstig de Concept-Statuten de bestaande knelpunten in de governance wegneemt. Daarbij is meegewogen dat de Concept-Statuten tot stand zijn gekomen na herhaald overleg met alle partijen, waaronder de OR, en dat daarbij rekening is gehouden met alle betrokken belangen en dat waar nodig aanpassingen zijn gemaakt naar aanleiding van opmerkingen, wensen en suggesties van de betrokkenen, waaronder de OR. Ook hier heeft de OR kunnen bijdragen aan een zorgvuldig onderzoek.
Lees hier de hele uitspraak: (ECLI:NL:GHAMS:2025:3620)
Met deze thema’s en bijbehorende uitspraken is 2025 afgesloten. Wat zal 2026 brengen? Wij houden u op de hoogte!
Heeft u vragen over medezeggenschap of wilt u weten wat deze uitspraken voor de medezeggenschap binnen uw organisatie betekenen? Ons team staat klaar om u te adviseren.
Renate Vink-Dijkstra, Advocaat & Partner Arbeid & Medezeggenschap en Barbara van Dam-Keuken, Juridisch medewerker Arbeid & Medezeggenschap.
Wilt u elke maand een overzicht van updates en blogs in uw mailbox? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief!