
Deze maal een blog die niet alleen onze vastgoedpraktijk raakt, de uitspraak van de Hoge Raad die in dit blog wordt besproken raakt alle rechtsverhoudingen waarin partijen over en weer schulden aan elkaar moeten voldoen en die met elkaar willen verrekenen.
De Hoge Raad heeft namelijk op 23 januari 2026 een richtinggevende uitspraak gedaan over de verhouding tussen verrekening en verjaring. Het arrest verduidelijkt hoe ver de mogelijkheid tot verrekening reikt wanneer een vordering is verjaard. Daarmee geeft de Hoge Raad een algemeen kader dat relevant is voor alle duurovereenkomsten waarin betalingsverplichtingen een rol spelen.
Het Burgerlijk Wetboek kent verrekening als een manier om verbintenissen te laten tenietgaan. Op grond van art. 6:127 BW kan een schuldenaar zijn schuld verrekenen met een tegenvordering, mits hij bevoegd is om nakoming van die tegenvordering af te dwingen. Normaal gesproken vormt verjaring daarbij een beletsel: na voltooiing van de verjaring kan een rechtsvordering niet langer in rechte worden afgedwongen.
Art. 6:131 BW nuanceert dit echter door te bepalen dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring. Dit betekent niet dat verjaring ineens een zelfstandige grondslag voor verrekening schept. De bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een schuldenaar die al tot verrekening bevoegd was, deze mogelijkheid verliest alleen omdat de wederpartij te laat wordt aangesproken.
Deze uitzondering werd in de literatuur en de lagere rechtspraak verschillend uitgelegd:
Stel de huurder heeft vanwege gebreken aan het gehuurde een schadevergoedingsvordering op diens verhuurder van € 20.000,-. De huurder heeft er vervolgens niets mee gedaan en de vordering is verjaard. De huurovereenkomst eindigt en bij de oplevering constateert de verhuurder opleveringsgebreken aan het gehuurde. De omvang van die schade is € 25.000,-. De huurder betaalt vervolgens maar € 5.000,- aan de verhuurder met een beroep op verrekening. De verhuurder is het daar niet mee eens. De drie mogelijke uitkomsten waren:
De Hoge Raad schept duidelijkheid en oordeelde dat uit art. 6:131 BW volgt dat de bevoegdheid om de verjaarde vordering te mogen verrekenen moet hebben bestaan vóór het intreden van de verjaring. Als de schuld pas daarna ontstaat, is verrekening niet mogelijk. Het komt erop neer dat de verrekeningsbevoegdheid niet eindigt door verjaring, maar dat met een verjaarde vordering geen verrekeningsbevoegdheid kan worden verkregen.
In het eerder benoemde praktijkvoorbeeld mag de huurder dus niet verrekenen en is hij gehouden ook de resterende € 20.000,- aan de verhuurder te betalen.
Oplettendheid en actie zijn dus geboden voor de schuldeiser. Men dient zich bewust te zijn van de verjaringstermijnen én tijdig in actie te komen. Als de vordering eenmaal is verjaard, kan dat niet meer worden teruggedraaid. Zelfs niet als de vordering buiten twijfel vaststaat én de wedepartij dat ook erkent.
Vragen over (contractuele) verjaringstermijnen en of er nog mogelijkheden zijn om te verrekenen? Bij De Clercq Advocaten kunnen wij uw vragen beantwoorden.
Vragen over (contractuele) verjaringstermijnen en of er nog mogelijkheden zijn om te verrekenen? Bij De Clercq Advocaten kunnen wij uw vragen beantwoorden. Neem contact op met Joyleen Verhoek of Fiene Stolp of één van onze andere specialisten binnen het team Vastgoed & Overheid!
Wilt u elke maand een overzicht van updates en blogs in uw mailbox? Klik dan hier om u in te schrijven voor de nieuwsbrief!