
Het kabinet heeft een lang verwacht wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd dat de rechtsbescherming bij aanbestedingen moet versterken. Doel is om de verhouding tussen aanbestedende diensten en inschrijvers meer in balans te brengen wanneer er discussie ontstaat.
Wat opviel: het is alweer zestien jaar geleden dat de Eerste Kamer belangrijk wetsvoorstel aannam over de rechtsbescherming bij aanbesteden. Wat gaat de tijd toch snel. In januari 2010 werd namelijk het wetsvoorstel voor de implementatie van de Europese rechtsbeschermingsrichtlijn aangenomen door de Eerste Kamer en daarover schreven mijn kantoorgenoot Per van der Kooi en ik destijds een blog.
Nu ligt er opnieuw een voorstel op tafel dat ingrijpt in de manier waarop geschillen in aanbestedingen worden behandeld.
Aanleiding voor het wetsvoorstel is de constatering dat ondernemers hun rechtspositie in de aanbestedingspraktijk vaak als zwak ervaren. Dat geldt met name voor kleinere bedrijven die de stap naar de rechter niet altijd eenvoudig of wenselijk vinden. Tegelijkertijd moeten aanbestedende diensten efficiënt kunnen blijven inkopen, zonder langdurige onzekerheid. Het wetsvoorstel probeert deze belangen bij elkaar te brengen.
De kern van het wetsvoorstel is procedureel van aard. Het gaat niet zozeer om een inhoudelijke herijking van beoordelingscriteria of gunningssystematieken, maar om de vraag hoe en wanneer bezwaren kunnen worden gemaakt en hoe daarop moet worden gereageerd.
In de kern bevat het wetsvoorstel de volgende wijzigingen:
Wat dit wetsvoorstel naar mijn oordeel écht onderscheidt, is de manier waarop de opschortende werking bij klachten wordt geregeld. Voor het eerst wordt wettelijk vastgelegd dat een tijdig ingediende klacht niet vrijblijvend is, maar gevolgen heeft voor het verloop van de aanbestedingsprocedure (artikelen 4.26e, 4.26g en 4.27e). Daarmee wordt voorkomen dat de aanbesteding ondertussen onverminderd wordt voortgezet.
Wordt tijdig een klacht ingediend bij het klachtenloket over de aanbesteding, dan moet de aanbestedende dienst de termijnen zo vaststellen dat effectieve klachtbehandeling mogelijk is (artikelen 4.26d en 4.26e). Wordt de klacht vervolgens aan de Commissie van Aanbestedingsexperts voorgelegd en neemt die de klacht in behandeling, dan wordt de aanbestedingsprocedure in beginsel opgeschort (artikel 4.27e). Alleen bij dwingende redenen van algemeen belang kan van opschorting worden afgezien, en ook dat vereist een uitdrukkelijke motivering (artikel 4.27e, derde lid).
Voor klachten tegen een gunningsbeslissing geldt een vergelijkbaar regime. Wordt binnen tien dagen na verzending van de gunningsbeslissing een klacht ingediend, dan moet worden gewaarborgd dat na de beslissing op die klacht nog minimaal tien dagen resteren binnen de opschortende termijn (artikel 4.26g). Is dat niet mogelijk, dan wordt de opschortende termijn onderbroken, zodat eerst inhoudelijk op de klacht moet worden beslist voordat definitieve gunning kan plaatsvinden.
Net als in 2010 staat ook nu weer de vraag centraal hoe rechtsbescherming effectief kan worden ingericht zonder aanbestedingsprocedures onnodig te vertragen. Het wetsvoorstel verschuift het zwaartepunt naar een gestructureerde, vroegtijdige klachtenafhandeling en legt daarbij duidelijke procedurele spelregels vast.
Of dit in de praktijk zal leiden tot minder escalatie en meer vertrouwen tussen overheden en ondernemers, zal de komende jaren moeten blijken. Duidelijk is in ieder geval dat de wetgever opnieuw een expliciete keuze maakt: rechtsbescherming bij aanbesteden verdient opnieuw aandacht.
Neem voor vragen contact op met Menno de Wijs, advocaat IT, Privacy & Cybersecurity.
Wilt u elke maand een overzicht van updates en blogs in uw mailbox? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief!