
Op 27 januari jl. heeft het hof Amsterdam zich uitgelaten over de vraag of zes - aan de zijde van Uber gevoegde - chauffeurs werknemer zijn. Volgens het hof is hiervan geen sprake.
Deze uitspraak bevestigt dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie altijd afhankelijk is van verschillende omstandigheden van het geval, maar laat ook zien dat de aanwezigheid van (extern) ondernemerschap doorslaggevend kan zijn.
In 2021 oordeelde de rechtbank Amsterdam nog dat Uber-chauffeurs werknemer zijn. Hiertegen heeft Uber hoger beroep ingesteld.
Bij het hof kwam een nieuw (en relevant) punt nadrukkelijk op tafel: de betrokken chauffeurs stelden dat zij “echte ondernemers” zijn. Dat riep een principiële vraag op: hoe zwaar weegt ondernemerschap bij de kwalificatie? En kan het ertoe leiden dat chauffeurs die hetzelfde werk verrichten toch verschillend worden beoordeeld? Het hof stelde hierover ‘prejudiciële vragen’ aan de Hoge Raad.
De prejudiciële vragen beantwoordde de Hoge Raad als volgt:
Het hof kwam uiteindelijk tot een duidelijk oordeel: de zes chauffeurs zijn geen werknemer. Doorslaggevend was dat hun ondernemerschap zó zwaar woog dat de balans uitsloeg naar “geen arbeidsovereenkomst”. De volgende omstandigheden speelden daarbij een rol:
Het hof heeft verder onderzocht of een homogene groep chauffeurs kon worden aangewezen die wél als werknemer kwalificeert. Dat was niet het geval.
FNV had namelijk te weinig concrete feitelijke informatie aangeleverd over de individuele omstandigheden van (groepen) chauffeurs om tot een groepskwalificatie te komen.
Het hof benadrukte wel expliciet: het is niet uitgesloten dat een individuele Uber‑chauffeur, afhankelijk van specifieke omstandigheden, een werknemer is.
Vragen over schijnzelfstandigheid in jouw organisatie? Neem gerust contact op met Jaouad Seghrouchni (Advocaat Arbeid & Medezeggenschap) of Liban Hadi (Advocaat Arbeid & Medezeggenschap).
Wilt u elke maand een overzicht van updates en blogs in uw mailbox? Schrijf u dan in voor onze nieuwsbrief!